1. Wat is de belangrijkste regel voor alle stallen? maak een keuze a. De stal moet voldoende ruim zijn en een betonnen vloer bezitten b. De stal moet fris zijn en een goed ventilatie hebben c. De stal moet voldoende verlichting hebben
2. Parasieten als maagdarmwormen en horzellarven komen voor bij: maak een keuze a. 70% van de paarden b. 100% van de paarden c. 85% van de paarden
3.Wat is nageltred? maak een keuze a. Hoefijzer is vekeerd vastgenageld b. Wordt veoorzaakt door in een scherp voorwerp te trappen, bijvoorbeeld een spijker of hoefnagel c. De hoeven zijn verkeerd bekapt en loopt het paard te veel op zijn toon
4.Waarvoor dienen windriemen? maak een keuze a. Om de oogkleppen op zijn plaats te houden b. Om het frondeel op zijn plaats te houden c. Om bij een stevige wind aan de maantop te bevestigen
5.Hoe houdt men de handen bij een uitgangshouding? maak een keuze a. Leidsels in beide handen b. Leidsels in de rechterhand c. Leidsels in de linkerhand
6.Welk rijtuig heeft 2 kappen? maak een keuze a. Dos à dos b. Landauer c. Barouche
7.Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig op een gelijkwaardige kruispunt, dient men deze voorrang te velenen? maak een keuze a. Nee, deze behoort onder de voetgangers b. Alleen op een voorrangsweg en voorrangskruisingen c. Ja, men moet ze voorrang verlenen
8.Als iemand lopend vee aan de hand meevoert is men? maak een keuze a. Een geleider en hoort men op het fietspad b.Wie geleidt bestuurt en hoort op de rijbaan c. Wie loopt begeeft zich onder de wandelaars en begeeft zich op het voetpad
9.Met verkeer wordt bedoeld? maak een keuze a. Alle weggebruikers inclusief de inzittende van trams en auto's b. Alle weggebruikers inclusief de bestuurders van trams, personen achter wandelwagens en ruiters en koetsiers op bospaden c. Alle weggebruikers inclusief bestuurders van trams en bestuurders op start- en landingsbanen
10.Fietspaden en fiets/bromfietspaden behoren? maak een keuze a. Niet tot de weg b. Tot de rijbaan en niet tot de weg c. Tot de weg en niet tot de rijbaan
11.Fietsers en bromfietsers mogen op de rijbaan, als zij? maak een keuze a. Niet harder dan 40 km/uur rijden b. Op meer dan 2 wielen rijden en breder zijn dan 75 cm c. Breder zijn dan 60 cm en meer dan 3 wielen hebben
12.Hoe kan men de paarden het beste in toom houden? maak een keuze a. Door de leidsels en de remmen goed te gebruikenl b. Door gebruik te maken van de grooms, stem en de zweep c. Met stem, zweep, de hulpen en zonder steun van de weggebruikers
13.Mogen ruiters op de rijbaan? maak een keuze a. Ja, met zijn tweeën naast elkaar b. Nee, ze horen op het fietspad c. Ja, maar ze mogen niet naast elkaar
14.Een boer die zijn vee over de weg drijft is? maak een keuze a. Een geleider, dus een bestuurder b. Geen geleider, dus ook geen bestuurder c. Een geleider en heeft voorrang. Er is wel sprake van toezicht houden
15.Wanneer mag u op een kruispunt stil blijven staan? maak een keuze a. Alleen als er weinig verkeer aanwezig is b. Alleen bij een middenberm die breed genoeg is c. Hier mag men altijd stil staan om veilig over te steken
16.Wanneer heeft een tram voorrang? maak een keuze a. Een trambestuurder heeft op alle kruispunten voorrang b. Een trambestuurder heeft voorrang op auto's, fietsers en ziekenwagens c. Een trambestuurder heeft op gelijkwaardige kruispunten, zowel op het verkeer komend van links als rechts voorrang
17.Wanneer heeft een voetganger voorrang? maak een keuze a. Op gelijkwaardige kruispunten en voorrangswegen b. De voetganger komt in het voorrangsverhaal op geen enkele wijze aan de beurt c. Voetgangers hebben alleen voorrang op het fietspad
18.Waar behoort een gehandicaptenvoertuig te rijden? maak een keuze a. Alleen op de rijbaan b. Alleen op het fietspad, fiets-/bromfietspad of rijbaan c. Bepalen zelf de plaats op de weg, stoep, fietspad of rijbaan
19.Een voorrangsweg/kruispunt kan naar links of rechts afbuigen. Geeft men hier richting aan? maak een keuze a. Ja b. Nee c. Nee, men rijdt op een voorrangsweg/-kruispunt
20.Moet een auto op een onverharde weg voorrang verlenen aan een voetganger op een verharde weg? maak een keuze a. Ja, voetgangers op een verharde weg hebben voorang op auto's op onverharde wegen b. Nee, niet aan voetgangers of personen die lopend een fiets, brom- of motorfiets aan de hand meevoeren c. Ja, alleen in het weekend
21.De verplichting om richting aan te geven geldt alleen voor? maak een keuze a. De hulpkoetsier b. De koetsier c. De hulpkoetsier, mits deze op de bok zit
22.Hoe sorteert men voor op beperkte eenrichtingswegen waar (brom)fietsers en gehandicaptenvoertuigen van beide richtingen mogen inrijden? maak een keuze a. Op eenrichtingswegen aan de uiters linkse zijde b. Aan de uiterst rechtse zijde c. In deze situatie niet uiterst links voorsorteren
23.Op sommige plaatsen is het verboden links af te slaan. Hoe wordt dit aangegeven? maak een keuze a. Een rond blauw bord met een witte pijl en witte rand b. Een vierkant blauw bord met een witte pijl c. Een driehoekig blauw bord met witte pijl
24.Als u met ernstig belemmerd zicht de weg op gaat, dan moet de wagen voorzien zijn van? maak een keuze a. Wit licht aan de voorzijde en een rood licht aan de achterzijde b. Twee lichten aan de voorzijde die wit of geel uitstralen. Twee rode lichten achter als de wagen breder is dan 1.50 mtr of een achterlicht indien de wagen smaller is dan 1.50 mtr c. Twee lichten aan de voorzijde die wit of geel uitstralen. Twee rode lichten achter als de wagen smaller is dan 1.50 mtr. Een rood licht achter als de wagen breder is dan 1.30 mtr
25.Hoe worden de voor- en achterlichten geplaatst? maak een keuze a. Op de hoeken van de wagen en niet hoger dan 1.20 mtr boven het wegdek b. 30 cm binnen de uiterst linker- en rechterzijde van de wagen en niet hoger dan 1.15 mtr boven het wegdek c. 40 cm binnen de uiterst linker- en rechterzijde van de wagen en niet hoger dan 1.25 mtr boven het wegdek
26.Een afgeknotte driehoek wordt op de achterzijde aangebracht dus niet afgeschermd door passagiers maak een keuze a. In het midden of links van het midden, op de hoogte van 35-90 cm boven het wegdek b. In het midden en 45-100 cm boven het wegdek c. Mag zowel links als rechts en 35-90 cm boven het wegdek
27.Wat is de maximum snelheid op een woonerf? maak een keuze a. 10 km per uur b. 15 km per uur c. 5 km per uur
28.Moet een koetsier richting aangeven bij het wegrijden, inhalen en bij het veranderen van rijbaan? maak een keuze a. Ja, altijd je richting aangeven b. Alleen richting aangeven als men van baan verandert c. Nee, men hoeft geen richting aan te geven
29.Waar behoort de koetsier te rijden op de rotonde? maak een keuze a. Zo veel mogelijk links b. Mag zowel links als rechts c. Aan de rechter kant
30.Wat zijn verkeerstekens? maak een keuze a. Verkeerstekens worden altijd gegeven door een verkeersagent b. Verkeerstekens staan op borden, vekeerslichten c. Tekens op borden, tekens op het wegdek, verkeerslichten
31.Een combinatie van verkeerslicht en stopbord, wat doen we? maak een keuze a. Staat het stoplicht op groen, eerst stoppen dan doorrijden b. Verkeerslichten gaan boven voorangsborden c. STOP-borden gaan boven verkeerslichten
32.Waaruit bestaat de voorhand? maak een keuze a. Hoofd, nek, hals, schouder, schoft, borst en voorbenen b. Nek hals, schouder, schoft, borst, boeg en voorbenen c. Hoofd, nek, hals, schouder, schoft en borst
33.Wat is het verschil tussen warmbloed en koudbloed? maak een keuze a. Bij een koudbloed is het bloed kouder dan bij een warmbloed b. Warmbloedpaarden zijn eerder moe c. Koudbloedrassen zijn minder temperamentvol
34.Wijd in de hielen is? maak een keuze a. De ruimte tussen de hakken is te groot b. De ruimte tussen de hoeven is te groot c. De ruimte tussen de kogels is te klein
35.Wat zijn hoornscheuren? maak een keuze a. Deze lopen horizontaal b. Deze lopen in verticale richting, soms vanaf de kroonrand, meestal door slechte hoefverzorging c. Komt veel voor door een gebrek aan vitamine
Antwoorden: